Dinsdag. Einde van de middag. Het is 17:00 uur en er zit weer een werkdag op. Ik pak m’n fiets en fiets met het zonnetje op m’n hoofd naar huis. De lente hangt in de lucht. Hij is even weggeweest, maar hij doet stevig zijn best om weer een comeback te maken.

Bloesems dwarrelen door de lucht. Een klein insectje zoemt rond m’n hoofd voordat hij z’n vlucht weer vervolgt. De geur van bloemen kriebelt in m’n neus. Paardenbloemen zijn bezaaid over het grasveld. Voor sommigen het grootste onkruid wat er is, voor mij hét teken dat het warme seizoen er nu echt aankomt.

De grasvelden zijn alleen aan de randen gemaaid. In het midden gaan binnenkort de veldbloemen groeien. Paarse, rode, oranje en gele bloemen zullen het veld sieren. Een stuk goedkoper dan Bloomon en ze staan net zo fleurig in huis.

Ik fiets over de brug en zie de zon glinsteren in de golven van de Maas. Elke keer als ik naar de bomen op de Parkkade kijk, lijken ze weer een tintje groener. Alsof iemand elke dag de verzadiging opschroeft.

Het sluimerende voorjaar is een opwarming voor het echte werk: de voorzichtige eerste barbecue, waarbij iedereen ‘s avonds nog sokken en dikke truien aantrekt. Het eerste festival van het jaar op Koningsdag, waar het er om hangt of je je zonnebril op moet zetten of niet. In de zon wegzweten, en in de schaduw bibberen. ‘s Ochtends nog je winterjas aantrekken, en ‘s middags hem in het mandje van je fiets vouwen.

Ik heb er zin in lente, kom maar door!